AlgemeenBlog

Van een fictief naar een (be)werkelijk(er) rendement?

By 17 juni 2017februari 26th, 2021No Comments

Op 9 juni 2017 heeft de staatssecretaris van Financien het Keuzedocument box 3 naar de Eerste en Tweede Kamer gestuurd. https://www.rijksoverheid.nl/ministeries/ministerie-van-financien/documenten/kamerstukken/2017/06/09/bijlage-keuzedocument-box-3

Dit keuzedocument kan door een nieuw kabinet gebruikt worden bij het maken van een keuze voor een systeem van heffing van inkomen uit vermogen die beter aansluit bij werkelijke rendementen op vermogen. In het keuzedocument worden de volgende vier varianten besproken:

Variant A: Vermogensaanwasbelasting

Variant B: Vermogenswinstbelasting

Variant C: Vermogensrendementsheffing op basis van de individuele vermogensmix

Variant D: Aanpassing binnen het forfaitaire systeem

 

Het is duidelijk dat de varianten A, B en C voor de uitvoering ‘structureel problematisch’ zijn, gezien de ingrijpende gevolgen voor belastingplichtigen, financiële instellingen en de Belastingdienst. Enkele problemen die worden genoemd zijn de complexiteit van de varianten, de nieuwe risico’s op ontwijking en fraude en de veel grotere schommelingen in belastingontvangsten.

Het opvallende in het keuzedocument is variant D. Deze variant bevat mogelijkheden om binnen het huidige forfaitaire systeem (die immers voor veel spaarders leiden tot een belasting over niet genoten forfaitair rendement) (deels) tegemoet te komen aan de door de belastingbetalers gepercipieerde onrechtvaardigheid. Binnen variant D worden verschillende subvarianten besproken:

  • een verhoging van het heffingvrije vermogen box 3 van €25.000 in 2017 naar €30.000 per persoon waarbij de forfaitaire rendementen per rendementsklassen gelijk blijven
  • een aanpassing van herijkingsformules voor de rendementen. Hiermee zouden forfaitaire rendementen sneller aansluiten op de laatst gerealiseerde rendementen wat weer goed is voor het draagvlak voor Box 3
  • een aanpassing van de verhouding tussen sparen en beleggen in de eerste vermogensschijf tot €100.000 (van 67% spaarrendement naar 100% spaarrendement) waarbij de belastingheffing in de eerste schijf tegen een spaarrendement uit het recente verleden. Ook dit zou beter voor het draagvlak van Box 3 zijn.

Variant D kent belangrijke voordelen. Zo zou dit systeem bijvoorbeeld eenvoudiger voor zowel de belastingbetaler als voor de Belastingdienst, sluit het beter aan bij de werkelijke actuele rendementen, wordt de kleine spaarder ontzien, et cetera Een belangrijk voordeel is de flexibiliteit nu de aanpassingen onder variant D al per 2018 in zouden kunnen gaan waarbij de andere varianten A, B en C niet eerder dan per 2022 in werking zouden kunnen treden.

Welke variant zal het worden: A, B, C of D? Dat is voor nu lastig te voorspellen nu we eerst de vorming van een nieuw kabinet moeten afwachten. Zoals het er nu uit ziet zal dit nog wel even duren…