Algemeen

Civielrechtelijk bestuursverbod bij fiscale boetes

By 29 november 2017februari 26th, 2021No Comments

Op 1 juli 2016 is het civielrechtelijk bestuursverbod in werking getreden. Hiermee kan een bestuurder (na een verzoek van de curator of het openbaar ministerie), die kort geformuleerd faillissementsfraude heeft gepleegd of zich schuldig heeft gemaakt aan wangedrag in aanloop naar een faillissement, een bestuursverbod krijgen van maximaal vijf jaar. Een door de rechter uitgesproken civielrechtelijk bestuursverbod gaat in op het moment waarop de rechterlijke beslissing, waarbij het bestuursverbod is opgelegd, onherroepelijk is geworden. Dit civielrechtelijk bestuursverbod wordt in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel geregistreerd.

Het doel van het civielrechtelijk bestuursverbod is vooral om faillissementsfraude en onregelmatigheden binnen een faillissement te bestrijden. Voorts wordt beoogd te voorkomen dat frauderende bestuurders hun activiteiten voort kunnen zetten. Na een civielrechtelijk bestuursverbod kan een bestuurder (gedurende een door de rechter bepaalde periode) bijvoorbeeld:

  • geen bestuurder of commissaris zijn van een rechtspersoon (uitzonderingen daargelaten);
  • een rechtspersoon niet vertegenwoordigen;
  • niet als bestuurder of commissaris worden benoemd bij de oprichting van nieuwe rechtspersonen.

Nu het bestuursverbod onderdeel is van de Faillissementswet is deze niet van toepassing op een bestuurder van een rechtspersoon die door turboliquidatie is opgehouden te bestaan. Ook commissarissen en niet-uitvoerende bestuurders kunnen geen bestuursverbod opgelegd krijgen. Het verbod geldt ook niet voor bestuurders van publiekrechtelijke rechtspersonen (een rechtspersoon met een overheidstaak). Verder staat een bestuursverbod de bestuurder niet in de weg om eigenaar van een eenmanszaak, een vennoot van een vennootschap onder firma et cetera te zijn. Verder beperkt de letterlijke tekst van de wet de bestuurder niet in het zijn van feitelijke leidinggever van een rechtspersoon; echter, in de parlementaire toelichting is gemotiveerd dat in het begrip bestuurder ook het begrip feitelijke leidinggever moet worden gelezen.

Fiscale vergrijpboeten en civielrechtelijk bestuursverbod
In artikel 106a aanhef en lid 1 sub e Faillissementswet is bepaald dat ook indien aan de rechtspersoon of de bestuurder van die rechtspersoon tijdens of in de periode van drie jaar voorafgaand aan het faillissement onherroepelijk een boete is opgelegd wegens een vergrijp zoals bedoeld in de artikelen 67d, 67e of 67f van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een civielrechtelijk bestuursverbod kan worden opgelegd. Indien dus tijdens of in de drie jaren voorafgaand aan het faillissement aan de rechtspersoon of de bestuurder onherroepelijk een vergrijpboete is opgelegd vanwege het niet, onjuist of onvolledig doen van aangifte bij een aanslagbelasting, het vaststellen van een te lage aanslag en het niet, gedeeltelijk niet of te laat betalen van de aanslag kan een civielrechtelijk bestuursverbod worden opgelegd.

Voormelde vergrijpboeten kunnen slechts worden opgelegd wanneer sprake is van opzet of grove schuld. De bestuurder kan, afhankelijk van de feiten en omstandigheden, zich op verschillende manieren verweren tegen het opleggen van een fiscale vergrijpboete. Zo kan de bestuurder zich verweren tegen de aanwezigheid van opzet of grove schuld. Ook is het bijvoorbeeld niet ondenkbaar dat de bevoegdheid om een vergrijpboete op te leggen is verjaard.

Indien de bestuurder niet succesvol is in zijn verweren dan heeft dat niet alleen een fiscale vergrijpboete tot gevolg maar ook de oplegging van een civielrechtelijk bestuursverbod. Indien sprake is van een aan de rechtspersoon opgelegde fiscale vergrijpboete, kan een bestuurder die nog geen deel uitmaakte van het bestuur op het moment dat de rechtspersoon werd beboet, door het civielrechtelijk bestuursverbod getroffen worden. Een bestuurder loopt zelfs het risico op een civielrechtelijk bestuursverbod indien de fiscale vergrijpboete reeds betaald is.

Hoewel de rechter een discretionaire bevoegdheid heeft bij het opleggen van een civielrechtelijk bestuursverbod blijft het als potentiële bestuurder van een rechtspersoon zaak om goed onderzoek te doen voordat besloten wordt om tot het bestuur van een rechtspersoon toe te treden. Een civielrechtelijk bestuursverbod ligt immers ook in onverwachte situaties op de loer.